foto-2Oktober 1977. Ik moet nog 13 worden en vraag al geruime tijd of ik alsjeblief met de fiets naar school mag. Ik pendel elke dag per trein en bus maar doe dat met veel tegenzin. Dat zal wel te maken hebben met dat pestkereltje op de trein dat een jaar ouder is dan ik en het op mij gemunt heeft. Nadat ik hem eens moegetergd in zijn gezicht had geslagen, had hij mij verzekerd dat hij me dat met een paar vriendjes betaald zou zetten. Mijn ouders hielden echter voet bij stuk, bang dat ik vroeg of laat door een auto zou worden gegrepen en ze hun enige zoon bij de spoeddienst zouden terugzien. Of erger. 

Voor het goede begrip: eind jaren ‘70 waren er in België niet van die mooie fietspaden als in Nederland. Nu trouwens nog niet, maar het is een beetje verbeterd. Je reed dus in de bebouwde kom als fietser gewoon tussen het autoverkeer in. Buiten de bebouwde kom had je in het beste geval een strookje van een halve meter met een witte streep, terwijl het verkeer voorbijraasde met 90 km/u of meer.  Snelheidscontroles bestonden toen nog niet. Langs de kortste weg, en de gevaarlijkste, was de afstand naar school ongeveer 14 km. Ik hield te veel van het leven om die te nemen. Gelukkig was er ook een alternatieve route, dwars door het prachtige natuurreservaat ‘De Kalmthoutse Heide’, en maar 2 km langer.

Ik geloof dat het drie of vier weken heeft geduurd vooraleer ik door een kennis van mijn ouders werd gespot en hij – geheel niet op de hoogte van het fietsverbod – hen vertelde dat ik toch zo hard kon fietsen. Na een fikse preek van mijn vader zag hij uiteindelijk ook wel in dat ik vastberaden was. Dat van dat pestkereltje durfde ik hem niet te zeggen. Het treinabonnement werd opgezegd en ik heb nog vele jaren vele kilometers naar school gefietst. En elke dag een beetje harder. Voor mijn 15e verjaardag kreeg ik zelfs mijn eerste spiksplinternieuwe fiets, een goudkleurige Tour de France van Gazelle, aangekleed met verlichting, spatborden en een bagagerek maar heel belangrijk: met wel 6 versnellingen. Kon ik nog harder. Ontelbare tijdritten heb ik gereden. En op andere dagen zouden mijn demarrages in de Ronde (neen, niet die van Frankrijk) zeker tot de overwinning hebben geleid. 

We hadden het met 5 kinderen niet heel erg breed thuis en ik kan me uit mijn jeugd maar twee vakanties herinneren. Toen ik 15 was, zouden we met de hele familie naar de Ardennen gaan. Onze buren hadden daar een chalet gekocht en we mochten er voor een vriendenprijsje 2 weken gebruik van maken. Maar er was een probleempje: niet alle 5 kinderen pasten tegelijk in de auto.Daar had ik wel een oplossing voor. Ik zou met mijn oudste zus, broers heb ik niet, met de fiets gaan. De eerste dag tot in de buurt van Leuven en de tweede dag de rest tot Bertogne, niet ver van Bastogne. Bij de meeste Nederlanders beter bekend als Bastenaken. Hoewel mijn ouders erg sceptisch waren, werd het plan goedgekeurd. De hele route werd door hen uitgestippeld en we kregen alle namen mee van de gemeenten waar we doorheen moesten fietsen. Op de tweede dag werden we in de buurt van Waver ingehaald door de auto.  Dat was het eindpunt van de fietsreis voor mijn uitgeputte zus, die het fietsen eigenlijk onvoldoende gewend was. Mijn tweede zus nam het stuur van haar over nadat de fietsbagage in de auto was overgeheveld om de fietsen te verlichten, en het zadel bijgesteld. Zowel zij als ik hadden nog nooit een helling beklommen die langer was dan een spoorwegbrug maar we hebben Bertogne wel gehaald. Als ik aan die dag terugdenk, krijg ik nog kippenvel. 

Een ander fietsavontuur dat ik nooit zal vergeten was een dagje op en neer – met dezelfde twee zussen tesamen dit keer – naar het strand in Domburg. Heen 80 km. Terug ook uiteraard. We hebben ‘s middags twee uur op het strand gezeten, geloof ik, en na 40 km op de terugweg was het beste er bij hen wel af. In het begin duwde ik ze om de beurt zodat de vaart er een beetje in bleef.  Na een tijdje reden we met zijn drieën naast elkaar en ik middenin zonder handen aan het stuur en elke hand een rug voortduwend. Tegen het eind kregen we verschrikkelijke honger maar in heel Zeeuws-Vlaanderen is op zondag alles, maar dan ook alles, gesloten. We belden ten einde raad ergens aan en die lieve mevrouw heeft uit medelijden een heel pak eierkoeken aan ons meegegeven. Daar bleef geen kruimel van over. 

Inmiddels schrijven we 1991. Ik werk en woon in een suburb van Chicago en heb net een mountain bike gekocht. Een Rockhopper van Specialized. Eigenlijk niks bijzonders en ongeveerd, maar wat was ik trots! Ook daar woonde ik vlakbij een natuurreservaat, Argonne National Laboratory Preserve, een plek die behalve voor het natuurschoon van Waterfall Glen ook beroemd is voor het nucleaire onderzoek dat daar sinds WOII wordt uitgevoerd in kilometerslange ondergrondse bunkers. Bovengronds is daar niets van te zien. Het vormde voor mij een ideaal trainingsgebied. Op een dag besloot ik met de fiets naar het werk te rijden. Een afstand van 35 mijl, en geen fietspaden. Dus maar door de berm. Ik had tenslotte een mountain bike. Drie keer is een auto gestopt om te vragen of alles okay was. Ik kwam ‘s avonds compleet gesloopt thuis en heb het woon-werk-verkeer maar weer gewoon met de auto gedaan. When in Rome, do as the Romans do. 

Voorjaar 1999. Net gescheiden. Niet in prettige omstandigheden. Het enige dat ik had meegenomen van onze bezittingen was een tafel met 4 stoelen, 2x bestek, 2 glazen, 2 borden, een pan, een zit/slaapbank, de koffiemachine en mijn Rockhopper. In het fietsen zocht ik mijn troost. Net als in mijn jeugdjaren kon het nooit hard genoeg gaan. Elke dag ging ik na het werk fietsen. In de zomer had ik een goede conditie opgebouwd en dacht ik Le Grand Ballon in de Vogezen wel even te kunnen bedwingen. Een lekker zonnetje in het dal dus een shirtje vond ik niet nodig. 21 km klimmen waarvan 5 km ongeveer vlak en een totaal hoogteverschil van 1000 meter, dus in een uurtje zou ik wel boven zijn. Wist ik veel. Nou, ik heb het geweten. Ergens halverwege de klim, ik was al drie keer dood gegaan, sloeg het weer om. Een harde, koude wind stak op die me bijna van de weg blies. Maar opgeven staat niet in mijn woordenboek. Toen ik boven kwam, leek het wel winter. En zonder shirtje! Ik heb in het restaurant boven op de top een magazine gekocht en terwijl ik die met een hand een beetje hoog hield ter hoogte van mijn borstkas heb ik de afdaling ingezet. Niet nadoen. 

Dat de fiets een belangrijke rol heeft gespeeld in mijn leven, moge nu wel duidelijk zijn. Maar hij zou nog belangrijker worden. 

In datzelfde jaar 1999 nam ik deel aan een fietstocht met collega’s van Bergen op Zoom naar Haarlem. 160 km. Met de stadsfiets.  En ik met mijn Rockhopper. Op noppenbanden. En een bereconditie. Naar het einde toe werden de bruggetjes en dijkjes net iets teveel voor een vrouwelijke collega met de goddelijke naam Diana en dus gaf ik haar elke keer op het juiste moment een klein duwtje in de rug. In het begin van de rit had ze nog heel hard geroepen dat die moddervlekjes op mijn blote rug – ik reed weer uiteraard zonder shirtje en er lag af en toe een plas op de weg  – toch wel erg sexy vond. Omdat ik ‘s anderdaags ook wel de terugweg met de fiets wilde rijden, vroeg ik haar of ik misschien bij haar in Haarlem kon overnachten. Zij dacht dat ik de zitbank bedoelde. Maar dat kan natuurlijk niet met mijn lengte.

Precies 5 jaar later – op de dag nauwkeurig – zijn we getrouwd. 

In 2005 heeft de fiets – ik had ondertussen een Eddy Merckx aangeschaft – ervoor gezorgd dat ik ben gestopt met roken. Dat zat zo. Tijdens een beklimming ergens in de Ardennen werden er net voor de top foto’s gemaakt. Toen ik de foto een week later zag, herinnerde ik me vooral de stekende pijn in mijn longen. De benen wilden nog wel, maar de zuurstofaanvoer vormde een pijnlijke bottleneck. Ik weet nog goed dat ik de volgende nacht om 02.00 uur wakker werd, besloot dat ik mijn lijf nog lang gezond wilde houden en mezelf beloofde dat die sigaret van de dag daarvoor mijn laatste was geweest. ‘s Ochtends vertelde ik Diana trots dat ik gestopt was met roken. Jaja, afgelopen nacht zeker. Ik zei stomverbaasd ja. En heb nooit meer een sigaret aangeraakt. 

Tot vorig jaar was ik eigenlijk een zomerfietser. De Colnago’s HP Dream van mij en Diana – ik had haar intussen ook met het virus besmet –  kwamen pas uit de schuur in juni of juli en werden medio september weer aan de haak gehangen. We kwamen nauwelijks aan 1000 km per jaar. Wel namen we de fietsen mee bij elke zomervakantie en dan maakten we (bijna) elke ochtend een ritje van 60 a 90 km, liefst met wat hoogtemeters. De liefde voor de fiets was er dus wel maar we hadden beiden een te drukke baan en eigenlijk niet de tijd om een goede conditie op te bouwen en vast te houden. 

Dat zou in 2014 – voor mij althans – veranderen. Na 8 jaar Gasunie was ik helemaal uitgekeken op dat bedrijf, en zij op mij geloof ik, en besloot ik dat het tijd was voor een paar maanden sabbatical.  Kort daarna werd ik door een maatje uitgenodigd om mee te doen aan de Pyreneeën Challenge. Dat is een driedaagse goededoelentocht waarbij je de Hautacam, de Circuit de Troumousse, de Col du Soulor, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque beklimt. Het goede doel is onderzoek naar nieuwe behandelingen tegen een verschrikkelijke – en nu nog onbehandelbare – kinderziekte: de stofwisselingsziekte. Deze ziekte zorgt ervoor dat voedsel niet wordt omgezet in bruikbare energie door en voor het lichaam. Drie kwart van de kinderen die met deze ziekte geboren worden, overlijdt voor ze volwassen worden. De helft haalt zelfs de leeftijd van 10 jaar niet. Met hele strenge diëten wordt getracht om het lijden te verzachten maar deze patiëntjes leveren elke dag een verschrikkelijke strijd om in leven te blijven.  Om een heel klein beetje te voelen hoe deze kinderen elke dag moeten doorkomen met heel weinig energie, ging ik samen met tweehonderd andere fietsers geld inzamelen en de steilste cols van de Pyreneeën beklimmen. Ik had nu wel de tijd om fatsoenlijk te trainen en op verantwoorde wijze het Pyreneese hooggebergte aan te vallen. Bij thuiskomst, en een fantastische fietservaring rijker, dacht ik: deze conditie wil ik vasthouden. Maar ik wist dat ik niet de discipline zou kunnen opbrengen om tijdens de winter te blijven doorfietsen. Even snel googelen bracht me al gauw op de website van Het Trapstel. 

De rest van mijn fietscapriolen kennen jullie. Even snel inschrijven voor de winterelfstedentocht ligt in het natuurlijke verlengde van mijn verhouding met de fiets.

Ik hoop nog vele fijne kilometers met jullie te mogen maken zodat ook de Derosa Superking een belangrijke rol in mijn leven zal gaan spelen. Ik ga alvast mee naar de Mont Ventoux. Die wil ik 3 keer in een dag beklimmen. Daarna begin ik op vrijdag aan de 560 km lange oversteek per fiets naar de Pyreneeën om voor de tweede keer aan de Challenge deel te nemen. En ik heb Diana al zo gek gekregen dat ze mee gaat. Ik geef haar wel een duwtje als het moeilijk wordt.

Gepubliceerd op: 16 april 2015 om 13:57 uur.
21 Berichten

21 reacties



Bericht plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *