Ik had hem in mijn handen, een wezen, grijs en als de substantie van gekookte inktvis. Iedere keer als hij leek te breken, probeerde ik de boel weer bij elkaar te pakken. Wat soms wonderwel lukte. Maar het lukte uiteindelijk niet! Alles viel als een ondefinieerbare substantie uit mijn handen.

Najaar 1997.

“Dat zijn dromen van een aanstaande moeder, moet jij je daar als aanstaand vader nu ook mee bezig houden?” zei Annette ’s morgens bij het opstaan.

1966, 3 jaar oud. ”Een fiets? Je krijgt een fiets als je kunt fietsen, eerder niet!.”

Met Peter mijn vriendje ben ik toen meteen op zijn fiets gaan oefenen op de rolschaatsbaan naast de openbare speeltuin. Een asfaltbaan waar we heerlijk veilig onze gang konden gaan. Na twee dagen; “Mem, ik kan fietsen, zie maar!” En ik reed trots door de Frans van Mierisstraat in Kostverloren op de fiets van Peter. Een groene fiets met grof vierkant frame, die je met behulp van een hendel midden in het frame, kon “vouwen”. Mijn moeder zag van het balkon, drie hoog, hoe trots ik was. Niet lang daarna werd mijn rode driewielertje met wit zadel omgeruild voor een blauw, tweede hands, kinderfietsje met een soort spaghetti frame. Misschien was ik nog wel blijer met de Mickey-Mouse-bel die  later door Heit, mijn vader dus, op het stuur werd bevestigd, maar dat terzijde.

Dit fietsje werd jaren later omgebouwd. Met de tong tussen de lippen en met schroevendraaier, hamer en bacosleutel werd het stuur omgekeerd, naar beneden gedraaid en de spatborden er af gesloopt. Rauzen door de bosjes die de afscheiding waren tussen de nieuwbouw wijk Vinkhuizen, waar we inmiddels naar verhuisd waren, en de weilanden die reikten tot Hoogkerk en daar aan voorbij. Het spannendst was van de heuvel af, over de Leegeweg en dan weer de heuvel op aan de overkant de bosjes weer in. De auto’s die over de weg reden zagen we amper en op goed geluk zijn we er iedere keer tussendoor geschoten. Henkie had pech, die werd geschept door een auto. Henkie kon goed leren, hij had altijd de hoogste cijfers van de klas. Freekie schreef op het kaartje dat van school uit naar het ziekenhuis werd gestuurd, ik hoop dat je hersentjes nog goed in je hoofd zitten en niet op de Leegeweg zijn achtergebleven. Het was inmiddels begin jaren zeventig.

Mijn sportcarrière, voor zover je over een carrière kunt spreken,  was van schaatsen op Friese doorlopers op de vijver bij de spoorbaan, het leek in die tijd wel of alle winters garant stonden voor  mooi winterweer, overgegaan naar voetbal.

In die vroegere dagen werd ik voor mijn gevoel  in de winterdagen elke ochtend op het ijs gezet. Heit trok de schaatsen zo strak over mijn rubberen laarzen, zodat ze nooit meer uitgingen. Maar het bloed verdween ook zo’n beetje uit mijn tenen. Tussen de middag gingen we dan macaroni met ham, kaas en champignons eten. Het gezin was vooruitstrevend met de toen on-Nederlandse maaltijden. Voor de rest rook je tussen de middag met name gekookte kool, gebakken vlees en jus in de portiek. Op drie hoog kwamen al die geuren bijeen.

Het voetballen startte in 1970, ik voetbalde tegen de gebroeders Koeman, en speelde samen met Grafton Holband, hij zou later nog in FC Groningen spelen. Tegen de Koemannetjes verloren we altijd met uitslagen rond de 20-0. Helpman E1 mocht met de broers meespelen.

Met mijn vriendjes Steven en Harry reden we wekelijks op de fiets naar de trainingen  en de wedstrijden op zaterdag. Ik had inmiddels een grote fiets en mijn cross-fiets, de voorloper van de mountainbike, heb ik inmiddels beschreven. Zij, Steven en Harry, reden op heuse racefietsjes. Paarse Peugeot fietsen met 5 versnellingen. God wat was ik jaloers op hen, ik moest het doen met de degelijke tweede hands van de grote buurjongen. Die fiets was eigenlijk nog net iets te groot en de eerste dag dat ik er op reed ging ik linea recta het prikkeldraad in. Een flinke jaap in mijn bovenbeen tot gevolg.

Ik weet eigenlijk niet eens meer of ik mijn oudste zoon heb geleerd te fietsen, dat moet dan zo rond 2000 zijn geweest.

Op mijn dertiende verjaardag pikte ik de nieuwe fiets van mijn vader. Yes, een racefiets met een recht stuur, maar met derailleur en commandeurs op het frame. Magnifiek! Dat ging er op lijken. Volgens mij was het een of ander Engels merk en metallic rood. Knal!, de pret heeft niet lang geduurd. Ik had meer aandacht voor het versnellingsmechaniek, tijdens het fietsen, dan voor de weg. Exact op mijn dertiende verjaardag lag ik daar, achter op de kofferbak van een stilstaande auto. Een flink gekneusde en bloedende neus tot gevolg, maar erger de fiets van mijn vader was total loss. Een pak op mijn donder, een racefiets was voor mij nog nooit zo ver weg geweest.

Het rauzen en racen op de “om-gebatterij-de kinderfiets ging onvermoeid door. Maar de lol was er wel wat van af als Steven, Harry en Hans en Dik, respectievelijk op hun Peugeot en Batavus racefietsen  meededen. Ik weet trouwens niet meer wie er won, dus zo traumatisch is deze situatie ook niet geweest.

De droom van de inktvisachtige substantie was waarheid geworden, het bleek  een metafoor voor het leven van onze zoon Leo. We hadden inmiddels een zoon. Hij was geboren in 1998 met een leverafwijking en we waren inmiddels twee jaar kind aan huis bij het academisch ziekenhuis. Iedere keer als er een operatie was geweest leek het herstel aanstaande, maar werd wreed verstoord door allerlei complicaties.

Het voetballen, schaatsen- ook op de kunstijsbaan in het Stadspark, de winters werden waarschijnlijk zachter, ging gewoon door. Opgevolgd door hardlopen. Ik was inmiddels van de lagere school naar het voorgezet onderwijs gegaan. Het gezin was van Kostverloren, driehoog naar Vinkhuizen verhuisd. Heit en Mem, met broertje Peter en ik woonden nu in een waar eengezinswoning. De snotterige neuzen, oor-en keelontstekingen waren verleden tijd. Die bleken achteraf oorzaak van ons zwaar vochtige voormalige huis , dat in het najaar in de rook en geur van de suikerbietenfabriek gehuld was. De mooie ijsbloemen heb ik helaas nooit meer op de ruiten gezien. De grote schimmelvlekken op de muur van de slaapkamer, die ’s avond zichtbaar waren in het schemerlicht van de lamp op de gang, dat tussen de kier van de slaapkamerdeur piepte, en dan leken op enge boze wezens, heb ik daarentegen nooit meer gemist.

De roerige 60-tiger jaren waren enigszins aan mijn ouders voorbij gegaan. Ze raakten in de nieuwbouwwijk “bevrijd”. Het geloof kwam op de achtergrond. Een jong gezin met twee kinderen, er was wat in te halen het was inmiddels 1970.

Voorheen  gingen we zondags naar de kerk en mijn vader kwam tussen de middag warm eten. Vader was aan het  werk en deed een studie in de avonduren. Mem ging ’s avonds werken in het ziekenhuis om de studie van mijn vader te bekostigen. De kerk werd vaarwel gezegd, het socialisme werd de leer in huis. Vader ging als kaderlid bij de vakbond en moeder ging van wijkteam-werk daarna als gemeenteraadslid aan de slag. Ook is ze nog een tijd in de “Staten” aan het werk geweest. Ik weet niet of het aan deze tijd lag, de nadagen van de seksuele revolutie, maar de relatie van mijn ouders werd er niet beter op. Later bleek dit al een tijd aan de gang.

Fleur werd geboren, 2000. Het was en bijzonder geboorte. Zonder uit te wijden, er was geen hulp aanwezig en we hebben het zelf geregeld. De situatie, navelstreng om de nek, heb ik geklaard. De ambulance die ik eerder gebeld had kwam. Terwijl ik de deur opendeed, met bebloede handen en shirt, het zag er waarschijnlijk niet uit, zag ik een jonge meid in ambulance kledij. “Jullie zijn te laat!”, zei ik, ze trok wit weg. “Ik bedoel, ze is al geboren”. Een zucht van verlichting en de ambulance zuster en broeder vlogen de trap op naar binnen en gingen aan de slag.

Via het voorgezet onderwijs, ging ik in de jaren tachtig naar de ASCA, sociale academie. Ypke Gietema gaf hier les. Hij was via de gemeenteraad waar mijn moeder uiteindelijk meer dan twaalf jaar in heeft gezeten, vriend aan huis. Dat sociale gedoe op de academie was niet echt “mijn ding”. Die laatste term bestond toen überhaupt nog niet.

Hierna startte een mooie periode op de Kunstacademie.

In de tussentijd was ik gestopt met voetballen en hardlopen. Ik had mijn oog op een racefiets laten vallen, want al hardlopend had ik de directe omgeving van Groningen nu wel gezien. Bij de oude Dik aan de Bedummerweg, hadden ze een Koga Miyata Superwinner staan. Parelmoer wit met blauwe accenten op stuurlint, balhoofd en zadel. Aluminium stuur en klassieke commandeurs op de schuine  framebuis. Afgemonteerd met Shimano 600 ex groep, de voorloper van Ultegra, zo is mij later verteld. Hij was 1 jaar oud en de helft van de nieuwprijs. Ik had aardig wat geld gespaard omdat ik vroegtijdig de ASCA had verlaten en nu in Bedum bij de DOMO werkte. Ik bezat een echte racefiets!

Het racefietsen bleef voor mij een solo aangelegenheid en ik ging elk weekend er op uit. Naar Pake en Beppe in Buitenpost, in  1 uur heen en in 1 uur terug. Zo nu en dan Drenthe in met de vader van mijn vriendinnetje. Hij had een Koga Miyata Gents Racer, net iets luxer dan de mijne. Naar Opa en Oma in Drachten, een ronde door Friesland in drie dagen en naar mijn vriendin in Zwolle en later Kampen. Per 200 km werd de fiets voorzien van een gedegen onderhouds- en poetsbeurt. Die aluminium velgen moesten glimmen.

De kunstacademie maakte een einde aan de relatief intensieve sportbeleving. Ik zwom nog wel wat en zo nu en dan volleybal en badminton, maar de fiets bleef onaangeraakt. Stappen, muziek maken en luisteren en ik was een notoire roker geworden die meer ’s avonds en ’s nachts leefde, dan overdag. In deze tijd had ik ook op de academie leren lassen en kon die “kunst” goed gebruiken om wat geld te verdienen. Ik ging bij een vriend wat bijklussen met het repareren en restaureren van oude Peugeots, de 403, 404 en 504, mooie bakken trouwens.

Groningen was in die tijd, jaren 70 en 80 bekend met “Springtij”. Elke kroeg die langer open wilde blijven, dan de reguliere sluitingstijd, kon dat door een live band in huis te halen. Wat een tijd! De Bronx, de Koffer, Kattenbak, Troubadour en noem maar op. Sterren in het Bos was inmiddels verhuisd naar het park. Wat een mooi festival was dat. 4 a 5 Zondagen in de zomer gratis popmuziek; Dexy Midnight Runners, Fischer Z, The Shirts, Herman Brood, Sweet ‘d’Buster, Vitesse, Harry Muskee Band, Roeg Toeg, Jan Akkerman, de stuffvrijpartij en noem maar op

Eind tachtiger jaren leerde ik Annette kennen en ik ken haar nog steeds. We wonen samen en zijn getrouwd. In 1998 kregen we onze eerste zoon, Leo. Wat een mooi ventje. Maar zoals jullie al eerder hebben gelezen, vertoefde hij meer in het ziekenhuis dan thuis. Na 3 en een half jaar strijd was het op 25 oktober 2001 voorbij, Leo was er niet meer. Fleur was anderhalf jaar en kent haar broertje van verhalen. Soms praat ze zo helder over hem dat ik soms denk dat ze herinneringen aan die tijd heeft.

In 2002 stond ik in eens verstijfd met mijn beide handen vasthoudend aan de reling op de Ebbingebrug. Mijn knieën leken de verkeerde kant om te buigen. Ik kon amper meer lopen ik had geen controle. Ik was op! We hadden drie en een half jaar voor Leo gevochten, het kon ook niet anders dan dat dat zijn sporen zou nalaten.

Een vriendin van ons nodigde me, later, uit voor schaatslessen op Kardinge. Ik op schaatsles? Met mijn Friese komaf was dat mijn eer te na. Kom op, ik kan wel schaatsen. Ik kan je vertellen dat dat flink tegenviel. 400 Meter was al ver. Maar ik gaf niet op, ik ben minstens elke week gaan oefenen en op een gegeven moment kon ik uit een faillissementsverkoop een paar aardige klapschaatsen kopen. Ik moest toen nog wel leren om de bocht door te komen!

Mijn dochter, amper 4 jaar, kreeg ook het schaatsvirus te pakken.

De afgelopen jaren hadden een duidelijk opdracht gekend, overleven! Er was in die tijd weinig tot geen tijd geweest voor sociale activiteiten. Het werd tijd om die weer op te pakken. Langzamerhand wordt het leven weer wat normaal en Olaf is geboren, Fleur kreeg er een broertje bij. Hij is een vreemde eend in de bijt, want hij werd voetballer.

 Naast het schaatsen, ben ik weer gaan hardlopen ,skeeleren, kajakken en conditietraining gaan doen. Alles nog relatief solo. Rond 2010 werd de motor, mijn Guzzi, Le Mans, verkocht en hiervoor in de plaats werd een Stevens Advantage racefiets aangeschaft. Na een jaar dacht ik, laat ik me eens bij een wielerclub aanmelden. Ik had een triple gekocht met het idee om eens een keer de bergen in te gaan. Met een cluppie wordt dat makkelijker. Na wat onderzoek op het internet kwam ik bij misschien wel het leukste cluppie van Groningen. Ik las hun gastenboek en zag dat ze de Noorderrondritten gingen rijden.

Een avond van tevoren heb ik toen via het gastenboek gevraagd of ik aan kon sluiten. Een paar dagen later reageerde een zekere GJ, De Voorzitter, dat ik de komende zondag kon meerijden. Ik had geen ervaring met peloton rijden, maar dat gaf niet als ik dat even duidelijk aan zou geven bij de start.

Bij de kinderen was ik inmiddels actief langs en op de schaatsbaan, het voetbalveld en wielerbaan. Grensrechter, tijdwaarnemer, inval-coach en zo nu en dan een jeugdtraining op de wielerbaan. Het is bijzonder om de verschillen in mentaliteit, ook al bij de jeugd, per sport waar te nemen.

Aan het einde van die eerste rit kwam de onvermijdelijke rondvraag. Een zekere Joke stelde de vraag. Niek had me gedurende de rit verteld over het Trapstel en de gebruiken. Hij had terloops geïnformeerd naar mijn werk. Ik was projectleider en hij stelde voor de vraag van Joke in Scrum-methodiek te beantwoorden. Deze methode had ik net aangeleerd. Mijn antwoord op de rondvraag was die dag klip en klaar; ” Jullie hebben er een nieuw lid bij!”.

Wat een leuke club, was ik in beland. Vele tochten in binnen- en buitenland, met als letterlijke hoogtepunt, afgelopen najaar, de Mont Ventoux.

Voor mijn vijftigste verjaardag zou ik de drie-daagse tocht uit de zeventiger jaren met mijn vriend Hans, nogmaals overdoen. Afhankelijk van de windrichting zouden we het traject Amsterdam- Groningen of omgekeerd rijden. Door Friesland en met de pont van Staveren naar Enkhuizen. Twee dagen voor vertrek werd mijn racefiets en mijn mountainbike uit de schuur gejat. Vrij impulsief heb ik toen meteen een nieuwe gekocht. Ik wilde die mooie rit niet aan mijn neus voorbij laten gaan. Het werd een Willier, de tour-uitvoering van een cento uno.

Na twee beklimmingen naar de top van de Mont Ventoux en een aantal ritten in de omgeving, zat ik met mede bewoners van huisje 17 de laatste avond van die week na te babbelen. JanWillem, Egbert, Michiel en ik. Het werd laat, de verhalen begonnen met de fietstochten die we de afgelopen dagen in de Vaucluse hadden gereden en eindigden met persoonlijke verhalen.

Jongens, die avond is er zo een, die mij dierbaar blijft. Renners in beeld! Bedankt.

De volgende ochtend lag er een briefje van Egbert op tafel, een groet. Hij was die ochtend in de auto gestapt richting Nederland met de uitspraak naar zijn reisgenoten;” Laat mij nog maar even achterin zitten, mijn lever is nog wat nat”.

2016

De winter is bijna voorbij. Afgelopen najaar heb ik mooie tochten gemaakt met de mountainbike. Onder andere van Hoek van Holland over het strand naar Den Haag. Afgelopen zondag heb ik de schaatsen al weer bijna verruild voor de racefiets. De Snerttocht, nee ik heb zeker geen berouw dat ik lid ben van ons mooie cluppie, het was weer genieten! Ik verwacht dat 2016 een mooi fietsjaar wordt.

Gepubliceerd op: 12 oktober 2018 om 16:08 uur.
Reactie achterlaten

Bericht plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.