Home TC Het Trapstel Forums Gastenboek Styrkeproven 2016 Reageer op: Styrkeproven 2016

#20387
Anoniem
Inactief

Zaterdag 18 juni 06.05u. Ik word wakker. Of ben ik al wakker? De hele nacht had ik onder invloed van de adrenaline gezweefd tussen slaap en opwinding. Ook met het brakke gevoel rekent de adrenaline snel af. Adrenaline zou een centrale rol opeisen gedurende de volgende 24 uur. Ik hoor Derek in de keuken in de weer met borden, bestek en allerlei zaken die hij denkt nodig te hebben bij de 543 km lange Noorse krachtmeting. Ik sta op en eet beduusd mijn yoghurt met haver, appel, banaan, rozijnen. Van alles een dubbele portie. Ik dwing mezelf alles op te eten. Ook al gaat dat niet van harte. Ik duw. En duw nog eens. Het duwen zou ook nog 24 uur duren. Ik word een beetje nerveus van Derek’s verrichtingen. Hij blijft maar over en weer lopen van de slaapkamer, via de keuken naar de badkamer en weer terug. Hij is steeds met drie dingen tegelijk bezig. Lijkt me hoogst inefficient. Ik zeg er niets van want het is waarschijnlijk zijn manier om de spanning te trotseren.
Het appartementje was via airbnb geboekt en we hadden ons de avond voordien afgetopt met dubbele porties zelfgekookte pasta terwijl Roemenie roemloos ten onder ging tegen voetbaldwergstaat Albanië. Dat krijg je als je hoogmoedig wordt. Les 1: wees nooit hoogmoedig bij krachtmetingen. Het flatje lag dichtbij de startplaats. 5 minuutjes fietsen. In een doodstille stad tracht ik de tramrails te ontwijken. Niet vallen nu. Bij de finish mag ik vallen, maar niet nu. Een honderdtal fietsers – sommigen met aanhang, anderen in kleine groepjes en nog anderen moederziel alleen – op Trondheim Torg, een mislukte poging van een doorgeschoten vissersstad om ook een Rode Plein aan de toeristen te kunnen bieden. Geef mij dan maar de Vismarkt. Op het podium zit een Noorse speaker op een stoel die onafgebroken namen noemt. Tenminste, dat leid ik af uit de beweging van de deelnemers naar de startlijn. Plotseling spitsen Derek en ik de oren als we iets horen dat lijkt op ‘het Trapstel uit Groningen’. Onze namen herkennen we niet maar voor de zekerheid schuifelen we ook maar naar voren. Dan begint het aftellen: fire, tre, to, en. We zijn vertrokken. In een groepje van 80 man kronkelen we de stad uit. Het druilt en is wat mistig en het wegdek is spekglad. Putdeksels, scheuren, tramrails en andere killers grijnzen je toe. Opperste concentratie. Niet vallen nu. Bij de finish mag het, maar niet nu. Ik vind het te link en na enkele kilometers gebaar ik Derek dat ik naar voren wil. We settelen ons op een comfortabele 5e rij. Het tempo ligt op light niveau. Warm draaien. Trapstelregels worden aan de laars gelapt en het lukt Derek en mij niet om netjes naast elkaar te blijven rijden. Na 20 km rijd ik in het wiel van Derek en voel mijn voorband leeg lopen. Ik roep ‘lek’ maar niemand reageert. Shit, dit is niet het Trapstel. Ik laat me afzakken en sta één minuut later aan de kant van de weg. Alleen. Zonder routekennis. Ik draai mijn fiets ondersteboven en begin als een robot mijn band te wisselen. Er rijdt een groep fietsers voorbij. Die zijn 5 minuten na ons vertrokken en dus de allerlaatste deelnemers. Het dringt tot me door dat ik bij niemand zal kunnen aanhaken. En Jaap had nog zo gezegd dat ik me in het begin moet sparen. Paniek slaat toe. Er stopt een BMW naast me. Even denk ik aan een reddende engel maar het blijkt een plaatselijke journalist te zijn die mijn vroege lekke band wel nieuwswaardig vindt en in het Nenglish een interview begint af te nemen en tientallen foto’s van me maakt terwijl ik trillend van woede, teleurstelling en wanhoop mijn band van mijn velg wil halen. Waar ik vandaan kom? Waarom ik mee doe? Hoe oud ik ben? Of ik mijn naam even in zijn iphone kan intoetsen? Of het de eerste keer is dat ik mee doe? Sommige vragen moet ik drie keer beantwoorden voor hij begrijpt wat ik wil zeggen. En ondertussen wil die k..band er niet af. Het huilen staat me naderbij dan het lachen. Heb ik hiervoor getraind ? Mijn band breng ik uiteindelijk op druk met mijn laatste CO2 cilindertje – iets wat die journalist nog heel interessant had gevonden en nog wel een paar vragen over wist te bedenken. Uiteindelijk verlies ik vijfentwintig minuten voor ik verder kan. Ik bedank de journalist nog voor zijn gezelschap en begin te rijden. Koud. Ik besef dat ik die achterstand niet zomaar dicht rijd. En ik heb geen enkel vertrouwen in die voorband. Ik had met dezelfde band twee dagen eerder ook al lek gereden. Nog een lekke band zou betekenen dat ik op de technische dienst zou moeten wachten. De negatieve gedachten buitelden over elkaar heen. Les 2 : monteer nieuwe banden als je wil meedoen aan de krachtmeting i.p.v. ze thuis in de kast te laten liggen. Op 62 km ligt de eerste bevoorradingspost. Ik arriveer er als laatste en beperk me tot een korte stop. Iets later begin ik de eerste deelnemers in te halen. Het geeft moed om telkens iemand in het vizier te hebben, het gat dicht te rijden en dan er langs te glijden. Ik probeer Jaaps advies (sparen sparen sparen) in gedachte te houden. Ik weet dat er in het begin evenredig veel moet geklommen worden maar toch, als ik mijn overall uurgemiddelde extrapoleer naar 543 km, red ik het niet in 24 uur. Ik trap harder. De dood of de gladiolen. Net wanneer ik in een lekker tempo kom en vertrouwen hervind in de voorband, schakel ik bij 78,6 km verkeerd en komt mijn ketting vast te zitten tussen kettingblad en frame. Fiets op de kop. Geen beweging in die k..ketting te krijgen. De tranen staan in mijn ogen terwijl alle fietsers die ik had ingehaald mij weer voorbij rijden. Met verwoede pogingen sleur ik mijn ketting los. De handen zijn helemaal zwart. Ik verlies tien minuten. Ongelooflijk. Nog nooit gebeurd. Is dit een voorteken van wat mij nog allemaal te wachten staat? Ik begin weer aan een inhaalrace. Het spaaradvies van Jaap was goed bedoeld maar daar heb ik nu even geen tijd voor. Bij de volgende bevoorrading (106 km, 800 hm) zie ik weer dezelfde mensen. Ik heb meer dan 4,5 uur gedaan om 106 km ver te komen. Een totale ramp. Korte plaspauze en door. Ik weet dat de zwaarste sectie van de hele dag nu gaat komen en de volgende stop is pas bij 196 km. Ik moet mijn gemiddelde opkrikken als ik binnen 24 uur wil eindigen. Waarom weet ik niet, maar mijn beenstukken hebben er ook geen zin meer in en zakken steeds weer tot op mijn knieën. Ontelbare keren trek ik ze al stampend en vloekend zowat tot in mijn bilnaad. Het kettingvet zit overal, maar niet meer op de vingers. De rit over de hoogvlakte is koud en lang en minder vlak dan gedacht. Maar ik zit nu in een opgelegde roes en blijf maar fietsers inhalen. Ik bid dat ik niet zoals de Roemenen roemloos ten onder zal gaan. De laatste 15 km vóór de afdaling inzet, heb ik de wind pal tegen, windkracht 5. Ik kan 24 kmu aanhouden maar het kost krachten. Ik neem een paar fietsers op sleeptouw. Op een gegeven moment zie ik 500 meter vóór mij een fietser die door een begeleidingsbusje uit de wind wordt gehouden. Dat wil ik ook wel. Ik tracht ernaar toe te rijden maar net voor ik aansluiting vind, rijdt het busje er van door. De fietser gebruikt vervolgens mij als busje. In de afdaling spaar ik me niet. Met een noodgang vlieg ik de volgende bevoorradingspost in. Mijn gemiddelde staat nu op 27,9 kmu. En wat zie ik daar op een bankje zitten? Een rood Trapstel shirtje! Derek was net voor mij bij de post gearriveerd en we besluiten na een korte stop samen verder te rijden. Ik had 180 km nagenoeg alleen gereden en de benen waren flink verzuurd. Ik dwing mezelf het rustiger aan te gaan doen en bij Derek blijven zou daarbij helpen. Het volgende traject is netto bergafwaarts en het effect is goed merkbaar. Het zonnetje breekt door en we rijden een lekker tempo. Regelmatig staat er meer dan 40 kmu op de teller. De benen kunnen recupereren en langzaam maar zeker krijgt de tocht een ander karakter: we hebben de saaie E6 ingeruild voor provinciale wegen en het genieten kan nu eindelijk voorop staan. Een prachtig landschap, nauwelijks autoverkeer en het besef groeit dat ik met iets bijzonders bezig ben. Wanhoop maakt plaats voor geloof in een goede afloop. Bij km 263 komen we weer bij Kvam, het stadje waar Derek en ik de dag voordien de trein naar Trondheim hadden genomen, waar ik met Diana twee dagen had verbleven (en dus voor mij bekend terrein) en waar Diana ‘s ochtends haar 279 km Styrkeproven naar Oslo was begonnen. Een intens gevoel van geluk. Mijn gemiddelde staat nu op 29,6 kmu. Maar die voorband blijft me wel zorgen baren. En dus besluit ik bij de volgende stop (307 km) om technische hulp in te roepen en een nieuwe band te laten monteren, terwijl ik wil genieten van een heerlijke kom soep. Maar dat was op te veel geluk gerekend. Nee mijnheer, bij deze bevoorrading is geen technische hulp voorzien. Ik vraag dan maar of de fietsenmaker speciaal voor mij wil komen. Natuurlijk mijnheer, maar dat kan 15 minuutjes duren. Ik zeg Derek dat hij alvast mag gaan rijden en dat ik hem wel weer zal inhalen. 15 minuten worden uiteindelijk 25 minuten en dan blijkt de fietsenmaker geen buitenbanden bij zich te hebben! Ik ontplof zo wat. Gelukkig schiet een andere mechanieker ter hulp (die had daar de hele tijd op de parking gestaan maar dat was blijkbaar niet bekend bij de organisatie …) en kan ik met een nieuwe voorband weer verder. Net voor ik de weg weer oprijd, zie ik dat mijn fietscomputer is uitgevallen. Snel de reserve batterij erin. Betekent wel dat de rit op strava in twee stukken is gehakt, maar who cares? Van Diana krijg ik een SMS berichtje dat ze binnen is. In 11 uur. Wat een prestatie. Later zou ze me vertellen dat ze de hele 279 km goeddeels alleen heeft gereden. Andere deelnemers waren ofwel veel te sterk ofwel veel zwakker dan haar. Wat een prachtmeid. Met de nieuwe band rijdt mijn fiets een stuk lekkerder . En alle melkzuur is uit de benen verdwenen. Volle bak. Na 63 minuten met een gemiddelde van 41 kmu heb ik Derek weer in het vizier. Samen rijden we de post van 383 km binnen en verorberen weer een aantal kommen soep met brood. Vanaf nu is het nog 160 km, een flinke zondagse trapsteltocht, zeg maar. Met Derek in het zog fietsen we over glooiend terrein, met af en toe toch een venijnig kuitenbijtertje. Derek geeft het tempo aan. Met een adembenemende zonsondergang valt het duister rond half twaalf in. Kilometer na kilometer rollen onder de wielen door. De lampjes gaan aan. Het wegdek is op sommige stukken barslecht. Scheuren waar een band van een mountainbike in verdwijnt. Het is link. En dan begint het te regenen. Eerst zachtjes, maar dan steeds feller. De temperatuur zakt. Ik kijk vaak achterom om te checken of Derek nog in mijn wiel zit. Hij is stil. Doodstil. Ik wil hem niet achterlaten en houd me vaak in om hem weer aan te laten sluiten. Op een gegeven moment zie ik hem niet meer tijdens een klim. Eerst denk ik dat hij zijn regenjasje wel zal hebben aangetrokken. Ik houd in. Een minuut, twee minuten. Geen Derek te zien. Zou hij toch gevallen zijn? Ik keer om en daal voorzichtig af. Een tegemoetkomende fietslamp verblindt me. Ik roep Derek. Ik rijd naar de lamp. Ik krijg een scheldende Duitser terug die zegt dat ik voorzichtiger moet zijn. Ik daal verder af. Ik maak me zorgen en speur de bermen af. En dan zie ik Derek die inderdaad zijn regenjasje had aangetrokken en wat extra voeding had genomen. Het blijft maar regenen. Ik raak tot op het bot doorweekt. Het is geen pretje om na 450 km bij 5C op je fiets te blijven zitten. Alles doet pijn. Vingers en tenen bevriezen. De kont staat in brand. Remmen en schakelen lukt niet meer fatsoenlijk. Scheuren in de weg. Wegwerkzaamheden. Putten in de weg. Stukken gravel. Nergens wegverlichting. Bloedjelink. De laatste drie uren laten zich in één woord samenvatten: een helletocht. Elke kilometer duurt eigenlijk te lang. Twintig kilometer voor het einde sluiten een handjevol fietsers zich bij ons aan. Derek en ik scheuren ons weer los. Ik ken weinig andere renners die zich zo fanatiek als Derek in een wiel kunnen vastbijten. Wat heeft die man een wilskracht. Bij het binnenrijden van Oslo via de E6 moet Derek lossen op een lange klim en geeft hij aan dat ik mag gaan. Er is nu wel straatverlichting en het is nog ongeveer 6 km of zo. Ik zet aan en laat hem achter. Ik gooi al mijn frustratie van het begin van de rit uit mijn lijf en vind nieuwe krachten. Tegen topsnelheid rijd ik over de finishlijn. Ik hoor mijn naam door de speakers. 100 meter achter de finish kom ik verdwaasd tot stilstand. Een Noorse blonde komt me hijgend achterna gerend en hangt een medaille om mijn nek. Ik val haar om de hals. Ze zegt iets Noors tegen me. Ik weet niet wat maar het is vast iets liefs. Diana belt me en zegt proficiat. Zij had de hele nacht haar app in de gaten gehouden i.p.v. te slapen en gewacht op mijn aankomst. Wat een prachtmeid. En ik, ik voel me klaar voor de UltraDolomitica. Wie gaat er mee?